Toetsingskader

In een uitspraak op 27-11-2020 (Zaaknummer C/16/508737 / KG ZA 20-441 en C/16/208796 KG ZA 20-447) heeft de rechter een toetsingskader voor tarieven gegeven:

Toetsingskader: artikel 2.12 van de Jeugdwet

5.20. De vraag of het aannemelijk is dat de op de hiervoor genoemde manier omschreven

vastgestelde tarieven (wel of niet) in lijn zijn met artikel 2.12 van de Jeugdwet zal moeten worden

beantwoord aan de hand van het hierna weer te geven toetsingskader, zoals onder meer ook valt

op te maken uit de uitspraken van:

- het gerechtshof Den Haag van 7 juli 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:1120)

- de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 22 oktober 2019 (ECLI:RBDHA:2019:11096)

- het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 oktober 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:4534).

1. Gemeenten moeten op grond van artikel 2.12 van de Jeugdwet reële tarieven vaststellen voor het verrichten van jeugdhulp. Dat betekent dat er een goede verhouding moet zijn tussen de prijs voor de levering van de jeugdhulp en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. De prijs mag daarbij niet ten koste gaan van de kwaliteit van de te leveren jeugdhulp.

2. De gemeenten moeten deze tarieven vaststellen op basis van gedegen onderzoek. Het tarief

moet tot stand komen in een transparant proces naar/met de aanbieders en het tarief moet

herleidbaar een herkenbaar zijn.

3. Bij het vaststellen van het reële tarief moet rekening worden gehouden met:

- de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden

- de uitvoeringswerkelijkheid (de praktijk) en de kostprijs van een redelijk efficiënt functionerende aanbieder; de tarieven hoeven dus niet voor iedere aanbieder kostendekkend te zijn

- specifieke omstandigheden verbonden aan de regio waarin de hulp wordt verleend

- bepaalde organisatie specifieke aspecten die een belangrijke impact kunnen hebben op de kostenopbouw, zoals bijvoorbeeld zorginhoud/complexiteit van zorg, de kosten van vastgoed, de beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd personeel, aanrijtijden bij crisis en bepaalde specialisaties.

4. De gemeenten moeten ook onderbouwen dat zij bij de vaststelling van de tarieven voldoen aan

de eisen van de Jeugdwet. Zij moeten daarbij inzicht geven in hun bevindingen en afwegingen bij

het vaststellen van het tarief, zodat kan worden getoetst of voldoende rekening is gehouden met

de hiervoor onder 3 genoemde omstandigheden, waaronder de organisatie-specifieke elementen

en regionale omstandigheden.

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheids- en

motiveringsbeginsel, maakt dat zij dit moeten doen.

Meer gerechtelijke uitspraken zijn te vinden in het jurisprudentieoverzicht van het Kennis- en informatiepunt Tarieven.